Muziek neemt je mee naar onbekende werelden

Focus:
Samen associëren en elkaar stimuleren om de eigen verbeelding vanuit muziek te verruimen en om te zetten naar spel.
Doel:
Jongeren luisteren intens en verbeelden zich een eigen wereld, op grond van wat ze horen. Deze zetten ze zo om in spel dat anderen erin mee kunnen gaan. Dat is je norm ofwel dan ben jij als begeleider tevreden.
Lesvoorwaarde: spelplezier. Hoe bereik jij deze voor jezelf en je spelers met deze les?
Pas onderstaande lessuggestie daarop aan.

Warming-up:

Jongeren bewegen op muziek, eerst klassikaal in een kring, vanuit aanwijzingen van de begeleider. Ze activeren het hele lichaam en zwerven vervolgens op de muziek door het lokaal. Op teken van de begeleider staan ze stil, verspreid door de ruimte. De begeleider zet een ander soort muziek op, jongeren gaan hier (eventueel met de ogen dicht) tegelijk op bewegen.
Tip: concretiseer de opdracht voor groepen die moeite hebben met de vrijheid van deze oefening. Je speelt in de kring mee en benoemt: we gapen, rekken ons uit, trekken onze schoenen aan enzovoort. Daarna door de ruimte heen: we wandelen door het bos, over bergen, door de modder, openen een deur,  daarachter is dik tapijt, we springen over een sloot enzovoort. Langzaamaan worden de handelingen abstracter en gaat het meer om de beweging, die geleidelijk overgaat naar dans.
Tip: zorg voor muziek met een wisseling van tempo en sfeer.

Training:

Jongeren nemen plaats met een stoel in een ruime kring, gezichten naar de buitenkant van de kring (dus geen oogcontact). Jongeren hebben pen en papier onder hun stoel.
Stel je voor: je zit voor een raam, de gordijnen zijn nu nog gesloten. Zo meteen zet ik muziek aan, op dat moment doe je, je ogen dicht en verbeeld jij je dat de gordijnen open gaan. Laat je fantasie de vrije loop wat zie je allemaal door het raam? Als de muziek stopt gaan de gordijnen weer dicht en doe je, je ogen open. (4 verschillende muziek fragmenten).
Nu volgt een tweede ronde maar nu schrijven de jongeren per fragment alle beelden/ associaties op. Bij de derde ronde luisteren jongeren nog een keer naar de fragmenten en bedenken bij welk muziekfragment ze graag een scene willen maken. Op grond van muziek keuze ontstaan groepjes.

Tip:

Als jongeren gewend zijn en er een veilige sfeer is dan kan je er voor kiezen om de oefening samen te laten ervaren, door hand in hand, dicht bij elkaar te zitten en dan naar de muziek te luisteren wordt de beleving veel intenser, vaak maken de jongeren dan de zelfde ervaringen mee. Ken je de jongeren goed dan kan het helpen om een leerling met veel fantasie te koppelen aan een leerling met minder fantasie samen komen ze een stuk verder!

Kern:

In groepjes gaan jongeren hun associaties bij de abstracte bewegingen vergelijken. Samen proberen ze tot één helder verbeelde ruimte te komen. Daarna gaan ze deze  inkleuren vanuit een aantal vragen: waar plaats je wat in de ruimte: is bijvoorbeeld de beek voor ieder op dezelfde plaats? hoe ruikt het daar, welke temperatuur is het, wat hoor je daar.
Welke materialen zie je? Is er een weg van stenen, asfalt of is het een bospaadje? welke personages zien jullie? Hoe zien die eruit – bewegen ze – praten ze? Is er al iets duidelijk van wat er kan gebeuren in de situatie?
Maak met elkaar een scène waarin je de groep straks meeneemt in jullie ruimte (ondersteund door de muziek). Laat in je spel het publiek zo veel mogelijk van jullie ervaringen meebeleven. Het mag een bewegingsstuk zijn zonder tekst, maar er mag ook in gesproken worden.

Nabespreking

Focus: wanneer kwam de verbeelding op gang tijdens het luisteren?
Norm: waardoor zag en ervoer je echt de omgeving?
Inzicht: hoe bepalend was de muziek tijdens jullie rondleiding?
Evaluatie: kunnen jongeren voldoende speelbare situaties associëren op muziek?
Analyse: waardoor wel, waardoor niet.
Vervolgactie:
Doel behaald: met alle zintuigen een verhaal ontwerpen en fysiek vormgeven.
Doel niet behaald: vanuit een muziekfragment van een jongere  samen hardop associëren, vervolgens doen zij dit in duo’s  op eigen muziek en komen ze tot een verhaal.
Tip: Bruikbaar zijn wereldmuziek, liefst instrumentaal of gezongen in een taal die wij niet verstaan. Aanraders: Andreas Vollenweider, Yann Thierse, Mike Oldfield, Philip Glass, en klassieke muziek. Het kan ook filmmuziek zijn, maar let op: gebruik muziek van films die jongeren niet kennen, anders gaan ze de film naspelen en fantaseren en verbeelden ze niet zelf.

Deze les is onderdeel van Leerjaar 2, blok B: improviseren inzicht/samenspel, les 1 associëren en geleide fantasie

Spelen met dialogen: overeenkomsten of toch niet?

Deze les is voor meer doelen toepasbaar, kies zelf duidelijk van tevoren welk doel je wilt bereiken. Dat bepaalt hoe jij de les gaat opbouwen en begeleiden. Werken met dialogen kun je inzetten om te werken aan spelen met emotie, maar ook met tempowisselingen, intonaties, typetjes, om de 5 W’s helder te krijgen enzovoort.
Focus:
Jongeren ontdekken door experimenteren met verschillende wijze van tekstinterpretatie.
Hoe gebruik je jouw instrument, om de tekst vorm te geven?
Doel:
Jongeren experimenteren met de non-verbale en verbale mogelijkheden, aan de hand van een vaste tekst; zij kunnen vanuit verschillende keuzes beide zo inzetten, dat het publiek de bedoelde betekenis erin herkent. Dat is je norm ofwel dan ben jij ais begeleider tevreden.
Lesvoorwaarde: spelplezier. Hoe bereik jij deze voor jezelf en je spelers met deze les?
Pas onderstaande lessuggestie daarop aan.

Warming-up:

Jongeren staan in een kring, jij geeft een beweging en geluid door naar links, deze twee worden exact nagedaan en doorgegeven aan de volgende. Als beweging en geluid de kring rond zijn geweest, herhaal jij nogmaals dezelfde beweging en hetzelfde geluid. Direct aansluitend start de speler links een nieuwe beweging met geluid enzovoort.
Hou het tempo hoog ( beweging en geluid golft door de kring). Zie toe op het exact overnemen.
Je blijft in de kring, de groep gaat korte zinnetjes doorgeven. Nu hoeven de jongeren niet meer precies hetzelfde te doen, maar gaan ze juist op zoek naar variatie. De tekst blijft hetzelfde, maar ze experimenteren met uitvergroten, verkleinen, intonatie, pauze in de zin, emotie enzovoort. Jij coacht op variatie. Jongeren komen vanzelf met mogelijkheden. Voorbeeldzinnen: Ik ben morgen jarig. Laat jij morgen de hond uit. Toen was ik helemaal alleen. Zo, wat is die mooi, enzovoort.

Training:

Verdeel de jongeren in duo’s; zo’n duo blijf je de rest van de les samenwerken. Laat de jongeren in twee rijen tegenover elkaar gaan zitten met een zo groot mogelijke afstand (zie onderstaande tip)) tussen de twee rijen; ieder zit dus tegenover degene met wie ze samenwerkt. Iedereen krijgt een dialoog uitgedeeld (ongeveer acht tot tien zinnen). We gaan met elkaar een soort hoorspel doen, één duo leest/speelt zijn tekst, de anderen luisteren. Het duo dat aan het werk is, gaat voor hun stoel staan, de andere jongeren kijken en luisteren. Je kunt verschillende opdrachten geven en deze opdrachten kunnen ook weer op verschillende manieren gegeven worden.

Opdrachten
  1. emoties: beide spelers spelen dezelfde emotie; ieder een andere emotie; dezelfde emotie, de ene groot, de andere klein;
  2. tempowisselingen: vlug–langzaam, energiek–sloom, staccato-vloeiend, hard-zacht, zangerig-scherp enzovoort;
  3. een typetje, met variatie in instructiemogelijkheden:

Iedereen kent de instructie. De groep luistert en kijkt of ze de instructie herkennen in de uitvoering. Eventueel probeert een volgend duo hen te verbeteren.
Niemand kent de opdracht; alleen het duo krijgt de instructie, de anderen proberen de opdracht te herkennen.
Nu alleen luisteren. Hoe is dat? Kun je het horen, of is het zien belangrijk? Wissel hierin: kijken en luisteren en alleen luisteren. Afhankelijk van je opdrachtkeuze lezen/spelen ze de tekst op verschillende manieren. 

Tips

Tip: door jongeren tijdens de oefening tegenover elkaar te plaatsen,  werk je ook aan verstaanbaarheid en het richten van de tekst. Komt de tekst aan? Zelfs wanneer je hen hier niet in begeleidt, is de verstaanbaarheid beter.
Tip: door toe te zien op wie naast wie zit, blijft er ook rust tijdens de uitvoering; de partner zit aan de overkant, dus is er minder ‘ruis’.
Tip: soms is het goed om jongens en meisjes steeds afwisselend op een rij te zetten; ook dan is er vaak minder ’ruis’.

Kern

Ieder duo krijgt een eigen tekst. Op grond van de voorgaande experimenten kunnen ze nu aan de slag. Ze kiezen twee varianten uit die een duidelijk verschil laten zien. Voor deze twee varianten gaan ze de W’s invullen (wie, wat, waar, waarom en eventueel wanneer). Nu gaan de jongeren op zoek hoe ze bewegen, welke houding en mimiek past erbij enzovoort. Voor jongeren die moeite hebben, heb je een aantal contexten bij de dialogen, zodat zij ook aan de slag kunnen.
De jongeren presenteren aan elkaar de dialogen. Eventueel krijgt het publiek de korte dialogen en noteren zij welke variatie er in de dialoog aanwezig was (wie, wat, waar, waarom); zodoende hebben zij meteen een lijst van mogelijkheden.

Nabespreking

Focus: wat heb je ontdekt tijdens het fysiek werken met tekst?
Norm: waaraan werd duidelijk welke betekenis spelers erin legde?
Inzicht: wat maakt dat een tekst tot leven komt? Woorden of uitvoering?
Evaluatie
Was er voldoende experimenteerruimte en ontwikkeling in vormgeving?
Analyse: waarom wel, waarom niet?
Vervolgactie:
Doel behaald: experimenteren om met stil spel en weinig zinnen, een betekenisvolle lading te geven aan een nieuwe tekst; eventueel nu in viertallen.
Doel niet behaald: in nieuwe duo’s (op grond van observatie, stel je ze samen, zwakkeren met sterkeren) experimenteren ze nogmaals met nieuwe dialoogteksten, waarbij jij een mogelijke context geeft en zij een tweede context verzinnen.
Tip: dialogen kunnen gehaald worden door een fragment uit een bepaalde toneeltekst te nemen (Zeer bruikbaar zijn de boekjes van buitenkunst: www.buitenkunst.nl)
Boek: Paul Rooyackers. 100 dialogen. Katwijk aan Zee: Panta Rhei, 2002.

Deze les is onderdeel leerjaar 1 blok C: spelgegeven waarom, spelen met emotie, speltechniek.

Momo en de tijdspaarders

In het boek Momo en de tijdspaarders van Michael Ende is Momo een natuurkind dat zonder ouders, buiten de stad woont. Momo kan goed luisteren naar iedereen die haar komt opzoeken. In de stad versnelt en verkilt alles sinds de grijze mannen, de tijdspaarders, er gekomen zijn. Hoe meer tijd je spaart, hoe minder je ervan hebt. De tijdspaarders en Momo bevechten elkaar, ieder met hun eigen wapens.
Lees ter voorbereiding het boek of verzin zelf situaties waarover mensen met Momo zouden willen praten. Hoe en in welke situaties zouden de tijdspaarders en Momo elkaar bevechten? De verzonnen situaties vormen een aanzet voor de te spelen improvisaties; laat dus voldoende ruimte om te improviseren op de vloer.

De les

Focus: goed samenspel, goed waarnemen wat de medespelers doen, en daarmee rekening houden in je reactie.
Doel:
Spelers kunnen vanuit startgegevens een spannende improvisatie spelen door te incasseren, of stiltes te hanteren en te reageren op acties van medespelers.
Toeschouwers kunnen benoemen hoe en wanneer iemand in rol echt incasseerde in stil spel, en van daaruit reageerde. Dit vormgeven (door spelers) en benoemen (door toeschouwers)  is je norm ofwel dan ben jij als begeleider tevreden.
Lesvoorwaarde: spelplezier. Hoe bereik jij deze voor jezelf en je spelers met deze les?
Pas onderstaande lessuggestie daarop aan.

Warming-up:          

Spelen vanuit spreekwoorden en gezegden:
De tijd vliegt; de tijd zal het leren; een zee van tijd hebben; er is een tijd van komen en een tijd van gaan; komt tijd komt raad; tijd heeft vleugels en geen teugels; de tijd van je leven hebben.
Jongeren werken in groepjes van vier of vijf. Van een spreekwoord of gezegde maken  zij hier een tableau. Zet het spreekwoord letterlijk of figuurlijk in beeld om.
Tip: voor groepjes die het lastig vinden om samen te werken, kan er steeds één de regisseur zijn, andere spelers volgen de instructies op.
Alle groepjes kunnen de opdracht tegelijkertijd uitvoeren. Jij wijst steeds één groepje aan dat blijft staan, terwijl de andere even naar dit tableau kijken.
Gesprekje
Na deze oefening volgt een kort inleidend gesprek over tijd, het hebben van haast, iedereen heeft het altijd zo druk enzovoort. Tijd is maar een merkwaardig relatief gegeven, soms duurt het lang en soms heel kort.

Een extra oefening

Hoe lang duurt één minuut. Alle jongeren gaan vóór hun stoel staan. Op  teken sluiten zij de ogen en blijven staan, tot zij denken dat er één minuut voorbij is; dan gaan ze met gesloten ogen zitten. Wie zit, mag ogen openen. Je onthoudt hoe snel de eerste speler ging zitten, wie er precies na één minuut ging zitten, wie veel te lang bleef staan. Jongeren verzinnen vaak een tactiek om de opdracht ‘goed’ uit te voeren, (tellen). Zolang ze dit in stilte doen, is dit toegestaan.

Training:

Verdeel de klas in groepjes. Aan de hand van een gegeven of een door hen zelf verzonnen scène of situatie, passend binnen het verhaal van Momo, gaan de jongeren werken aan een improvisatiescène.
Tip: suggesties die je achter de hand kunt hebben voor sommige groepjes:

  • ik wou dat ik de tijd kon terugdraaien;
  • elke seconde telt;
  • de tijd vliegt; waarom zijn er in de natuur geen klokken of zijn die er toch wel;
  • vroeger is voorbij; bestaat de toekomst wel?
  • als ik dit nú zeg, is dit nú alweer voorbij;
  • ik maak wel tijd in de tijd dat ik geen tijd heb.
Aan het werk

Jongeren spreken de vijf W’s, begin–midden–eind af en oefenen de scène. Vertel dat het gaat om samenspel, hou rekening met spelimpulsen van medespelers – hoe reageer je hierop?
Stimuleer hen om het verhaal helder te krijgen, in te spelen op elkaar en het spel zo intensiever en spannender te maken.
Tip: per groepje kan er steeds één even uit stappen, om aanwijzingen te geven. Is  dit lastig, dan werk je zelf even met een groepje terwijl iedereen kijkt. Je tips kunnen ze waarschijnlijk in eigen scène toepassen.
Tips:
zie en hoor je actie en reactie? Wat doet het met jou als speler, hoe laat je dat in spel zien? Laat je raken in je spel, doe een emotioneel spelaanbod, is de actie spannend?, Hoe maak je het spannender? Reageer eens meteen, of laat juist een pauze vallen.

Kern:

Jongeren presenteren hun scènes. Het publiek let op samenspel – spelspanning tussen de rollen en formuleert aanwijzingen ter versterking. Bij voldoende tijd spelen ze met de aanwijzingen de scène opnieuw.
Nabespreking
Focus: waaraan zag je dat spelers echt elkaars acties zagen/hoorden?
Norm: wanneer was er echt sprake van incasseren en reageren?
Inzicht:  waardoor ontstaat spelspanning? Benoem het verschil tussen spel en samenspel.
Evaluatie: leverde het samenspel spelspanning op tussen verschillende rollen?
Analyse: Gingen die over tijd?
Tips
Vormgeving: In plaats van sprookjesfiguren van Doornroosje kunnen figuren uit Momo centraal staan. Jongeren schrijven vanuit rol een brief aan Momo.
‘Het Filiaal’ heeft een muziekvoorstelling gemaakt over Momo en de tijdspaarders. Op: www.het-filiaal.nl/momo zijn filmpjes over tijd terug te vinden met leuke opdrachten en experimenten. Je ziet foto’s (kostuum en repetitie) en fragmenten uit de voorstelling.

Deze les is onderdeel van leerjaar 2: blok C spelgegevens

Van scène-indeling al improviserend naar tekst 

Jongeren werken een bestaand verhaal om tot een mini-toneelproductie. Er is al een scène indeling. Tijdens deze les gaan ze al improviserend ontdekken welke manieren van spelen er zijn; welke regisseur haalt welke spelkwaliteit naar boven?
Focus: het verkrijgen van inzicht in de communicatie tussen spelers en publiek. Hoe communiceren de keuzes van de spelers en de uitvoeringskwaliteit naar de toeschouwers?
Doel: de spelers kunnen vormgevingsmiddelen toepassen ter versterking van het Waar en de Wie’ s van een scène. Na afloop kunnen zij aan de toeschouwers hun keuze toelichten. Dat is je norm ofwel dan ben jij als begeleider tevreden.
Lesvoorwaarde: spelplezier. Hoe bereik jij deze voor jezelf en je spelers met deze les? Pas onderstaande lessuggestie daarop aan.

Warming-up:

Verdeel de klas in twee groepen. Deze twee groepen gaan in twee diagonale hoeken staan. Ze gaan begroetingen spelen over de diagonaal. Steeds start er uit iedere groep één speler, deze loopt over de diagonaal. In het midden vindt er een ontmoeting plaats. Daarna lopen de spelers door en sluiten in de andere hoek weer achteraan.
Je geeft steeds korte spelopdrachten over wat voor soort begroeting er gaat plaatsvinden. Er is één starthoek, de andere hoek reageert. Een aantal spelers speelt dezelfde opdracht; zodoende daag je de jongeren al uit tot onderzoek. Geef aan dat spelers die het moeilijk vinden om iets te bedenken, ook iets mogen doen wat al gedaan is.

Opdracht voorbeelden

in de verte zie jij je beste vriend lopen en je probeert zijn aandacht te trekken;
je wilt iemand omhelzen, maar ontdekt dat de ander heel erg stinkt;
eigenlijk ben je smoorverliefd op degene die je tegenkomt, maar wil het niet laten merken;
je wilt de ander eigenlijk ontwijken, want je bent die ander geld schuldig, maar je moet elkaar wel begroeten.
Afhankelijk van de wijze waarop de leerlingen de opdracht uitvoeren, kun je al deze dingen inbrengen, maar in het algemeen geldt: hoe eenvoudiger (en emotioneel meer geladen) de opdracht is, hoe meer er valt te onderzoeken.
Wil je deze warming-up bij Momo en de Tijdspaarders (zie samenspel) gebruiken, dan slow motion of versnelling toepassen.

Training:

De jongeren werken in de groepjes waarmee ze de miniproductie aan het maken zijn. Per groepje wordt er voor vandaag een regisseur aangewezen. Al deze regisseurs krijgen elk een andere opdracht: gebruik in je scène: djabbertaal, vergrotend spel, non-verbaal spel, attributen of muziek. Met deze opdracht gaan ze een scène uit hun toneelstuk improviseren. De scène moet laten zien, waar en wanneer het verhaal zich afspeelt, wie erin meespelen en hoe de onderlinge relaties zijn. De regisseurs zetten het middel of de speelwijze bewust in, en zorgen ervoor dat het duidelijk in de presentatie naar voren komt. De groepjes hebben vijftien minuten de tijd om hun scène te oefenen.

Kern:

Groepjes presenteren de scènes  zonder commentaar van kijkers. Daarna doen spelers verslag over hoe het was om te werken met deze regisseur. Jongeren kijken als recensent. Hoe waardeer jij deze regisseur, welke tips geef je ten aanzien van djabbertaal, vergrotend spel, non-verbaal spel, attributen of muziek. Na afloop bespreekt ieder groepje de behandelde vormgeving die zij willen gebruiken en waarom. Hiermee maken ze bewuste keuzes voor hun miniproductie.
Nabespreking
Kernvraag: welke vormgevingsmiddelen prikkelden of inspireerden spelers en/of publiek?
Normvraag: waardoor zijn welke vormgevingsmiddelen effectief?
Inzichtvraag: wat voegt ieder vormgevingsmiddel toe aan spelkwaliteit?
Evaluatie: helpt het inzetten van een groepsgenoot als regisseur?
Analyse: waarom wel of waarom niet?
Vervolgactie:  Doel behaald: jongeren gaan alle scènes versterken.
Doel niet behaald: jongeren gaan met centraal gegeven opdrachten de scènes versterken.

Deze les is onderdeel van Jaar 2 Blok E, een mini productie aan de hand van een bestaand verhaal.

Doornroosje, anders.

Focus: rolopbouw vanuit motieven/bedoelingen en deze binnen een gegeven verhaal spelen.
Doel: Jongeren kunnen herkenbaar voor medespelers en publiek hun belangrijkste rolacties richten, vanuit motief of bedoeling met het startverhaal. Dat is je norm ofwel dan ben jij als begeleider tevreden.
Lesvoorwaarde: jongeren kunnen zonder voorbereiding, vanuit startzin, thema of houding, in het moment, op elkaar reageren en zodoende spelspanning opbouwen. Ze improviseren direct voor de groep.
Spelplezier. Hoe bereik jij deze voor jezelf en je spelers met deze les? Pas onderstaande lessuggestie daarop aan.

Warming-up:

Spelers in een kring met gezicht naar buiten. Op een klap draaien ze om en spelen je na. Verschillende sprookjesfiguren komen tot leven door fysieke transformatie en tekst, ze herhalen iedere regel. Erna klap je en draaien de spelers zich om. De transformatie  loslatend voor de volgende. Soms introduceer je geen nieuwe en roep je “gewoon anders’’. Dan variëren ze. Hiermee relativeer je het na-apen als het goede voorbeeld.
Ter inspiratie en versterking van ieders spel straks, speel je kort een goede fee. Enkelen spelen ook een voorbeeld. Liefst van alle personages twee versies, zodat niet het enig juiste goede voorbeeld gegeven wordt.

Training:

Lees de brief voor van de prins aan Doornroosje. In tweetallen kiezen jongeren een rolfiguur uit het sprookje. Ze schrijven samen (samen komen ze verder dan alleen) vanuit het gekozen rolfiguur een brief aan Doornroosje. Hierin bespreken ze de relatie tot haar als rolfiguur vanuit het verhaalgegeven. Aan bod komen motieven en bedoelingen voor acties die ze ondernamen of willen ondernemen. Ze zijn hierin vrij
Tip: Toon Tellegen. Brieven aan Doornroosje. Amsterdam: Querido, 2004, (brief 1).
Tip: laat jongeren kiezen uit een aantal rollen, zorg dat niet iedereen dezelfde rol kiest. Rollen kunnen zijn vader/moeder, goede fee, slechte fee, prins, tuinman, Doornroosje (deze kan een brief aan de prins of aan zichzelf schrijven).

Kern:

Groepjes van vier of vijf verschillende rolfiguren; ieder duo splits zich zodat ieder groepje zo veel mogelijk rollen heeft. Ze lezen in rol hun brief voor of spreken deze als monoloog uit: luister naar wat ik Doornroosje geschreven heb. De brief als monoloog uitspreken focust de aandacht op tekstzegging. Het groepje kiest een sprookjesgedeelte dat ze omzetten in een scène. Het bestaande sprookje is kapstok, maar zij zetten dit vrij naar hun hand. Ze kiezen één kledingstuk of rekwisiet dat symbool staat voor hun rol. In spel zijn ze vrij om de verzonnen brieven los te laten of als een soort verleden van het personage te gebruiken. Het schrijven van de brieven helpt de jongeren om hun motieven en bedoelingen helder te krijgen; dit is hun bagage voor het spel. Alle groepjes oefenen tegelijk, waarna ze hun scène aan elkaar presenteren. Er is één decor waar alle groepjes in presenteren.

Nabespreking

Focus : waaraan herkende je welk motief van welke rol?
Norm: van welke rollen was het handelen consequent vanuit dat motief?
Inzicht: hoe werkten de bedoelingen en motieven van de personage door in het spel?
Evaluatie kunnen jongeren spelen vanuit motief en bedoelingen?
Analyse: wanneer wel, wanneer niet?
Vervolgactie:
Doel behaald: spelen met geheime motieven die al spelend medespelers verrassen.
Doel niet behaald: alledaagse situaties laten spelen, waarin jongeren ervoor moeten zorgen dát te krijgen of te mogen, wat ouders, begeleiders en, sportleiders hun niet zomaar toestaan.

Deze les is onderdeel van leerjaar 2: blok D Personage opbouwen vanuit een verhaal.

Maartje van Amersfoort
Zie voor het volledige leerplan in het bovenmenu:  Het kunstvak Theater

Ubbergen, update winter 2021